Interessante resultaten van medisch wetenschappelijk onderzoek word dikwijls in de pers besproken. Helaas berichten journalisten niet altijd accuraat over het besproken onderzoek of ze  gaan aan de haal met een of meer aansprekende of controversiële resultaten. Daardoor zijn sommige onderzoekers minder gemotiveerd om de resultaten van hun onderzoek onder een breed publiek bekend te maken.

Een deel van de oplossing zit waarschijnlijk in het beter opleiden van wetenschapsjournalisten. Het boek “Goochelen met getallen” van Hans van Maanen kan daar bijvoorbeeld bij helpen. Onderzoekers kunnen zelf echter ook een bijdrage leveren.  Zo is het belangrijk dat er voor de lezer voldoende informatie in het artikel staat om de resultaten te begrijpen en om te besluiten of de resultaten geloofwaardig zijn.

Een andere oplossing is een goed persbericht, zo blijkt uit een  op 27 januari in de BMJ gepubliceerd artikel van Lisa Schwartz  en collega’s.
Van 343 krantenartikelen werd de kwaliteit van het bijbehorende wetenschappelijke artikel en het bijbehorende persbericht beoordeeld. De volgende gegevens werden daarbij belangrijk geacht te getuigen van goede kwaliteit:

  •  basale feiten als studiegrootte en -duur, sponsor en of de studie gerandomiseerd was.
  • kwantitatieve vermelding van de belangrijkste resultaten met tevens vermelding van de absolute effecten.
  • Naast de gewenste effecten ook vermelding van de ongewenste (schadelijke) effecten van de behandeling.
  • Vermeldingen van de beperkingen van de studie.

Het blijkt dat persberichten, die bovenvermelde gegevens bevatten ook resulteren in krantenartikelen van hogere kwaliteit. Beter geen persbericht dan een slecht persbericht, zo blijkt ook uit het artikel, want persberichten zonder de essentiële onderdelen maken een krantenartikel alleen maar slechter van kwaliteit. Onderzoekers hebben dus een grote invloed op wat in kranten over hun onderzoek verschijnt.