Dit artikel verscheen op 4 oktober in het liber amicorum dat Prof. dr. Jan-Willem Coebergh bij zijn afscheid van het Integraal Kankercentrum Zuid kreeg aangeboden.

Toename van prostaatkanker
Eind jaren 90 deed ik onder supervisie van Jan-Willem promotieonderzoek naar de incidentie en prognose van prostaatkanker. Jan-Willem had mij intussen aardig ingewijd in de achterliggende problematiek. Zo waren er in de VS volgens Jan-Willem boefjes, dubieuze voorvechters van prostaatkankerscreening zoals de heren Mettlin en Murphy. Door screening zouden volgens Jan-Willem echter meer onschuldige gevallen van prostaatkanker worden ontdekt en werd prostaatkanker in het algemeen eerder ontdekt. Dit zou moeten leiden tot een verbeterde prognose voor patiënten met prostaatkanker in de loop der tijd. Een goede reden om dit eens te gaan onderzoeken.

Toename van prostaatkanker op jongere leeftijd zonder verbeterde prognose
Met de gegevens uit de Eindhovense kankerregistratie toog ik aan de slag. Tot mijn verbazing bleek de prognose in de jongste leeftijdsgroep, waarin de incidentie het sterkst was toegenomen, niet verbeterd, maar zelfs verslechterd! Deze bevindingen verwierpen dus de hypothese dat de toename van het aantal gevallen van prostaatkanker  onschuldige of veel eerder ontdekte gevallen betrof. Eerst controleerde ik mijn analyses aandachtig en legde ze ook nog een collega voor. Er leek echter niets fouts te zijn gedaan. Ik vond deze opmerkelijke bevinding van een onverwacht verslechterde prognose inmiddels erg interessant worden. Jan-Willem was echter weinig onder de indruk en meende dat het niet kon.  Ik vond de data echter duidelijk spreken en vond eigenlijk dat Jan-Willem zich teveel liet leiden door zijn vooringenomen mening. Enige tijd later trof ik tijdens een workshop een statisticus van de kankerregistratie van East Anglia in Engeland, Diane Stockton.  Ik vertelde haar van mijn opmerkelijke bevinding. Tot mijn verbazing maakte zij melding van een vergelijkbare bevinding. Daarop besloten we de gegevens gezamenlijk te analyseren. Uit de Poissonregressie bleek een significante trend (p<0.0001).  Ondanks zijn ongeloof was Jan-Willem  inmiddels ook voor publicatie van de bevindingen. Publiceren is immers een must voor een wetenschapper. Omdat de bevindingen nieuw waren, stuurden we het artikel in eerse instantie ‘hoog’ in, naar ik meen zelfs naar de BMJ of Lancet. De reviewers bleken echter zeer kritisch. Uiteindelijk werd het gepubliceerd in het gerenommeerde British Journal of Cancer [1].
Ik realiseerde me later dat ik nogal wat data en data-analyses had gecontroleerd. Controles die niet zo uitvoerig gedaan worden als de bevindingen niet onverwacht waren geweest.

Conclusie
Verwachte bevindingen hebben daarom een grotere kans om gepubliceerd te worden. Is dat erg? De bevinding van vooral een toename van prostaatkanker op jongere leeftijd is voor zover ik weet niet door anderen bevestigd. Deze bevinding zou daarom wel eens bij het artikel van John Ioannidis kunnen passen [2]. Destijds vond ik de vooringenomendheid van Jan-Willem onjuist. Maar misschien had ie wel gelijk! Gelukkig realiseren we ons steeds meer dat onderzoeksresultaten in het perspectief van eerder onderzoek gezien moeten worden. Om ze alleen in het perspectief te zien van de mening van Jan-Willem is riskant en mogelijk vertekenend, maar zijn eminence-based kennissynthese lijkt wel behoorlijk doeltreffend [3].

Literatuur
[1]   Post PN, Stockton D, Davies TW, Coebergh JW. Striking increase in incidence of prostate cancer in men aged < 60 years without improvement in prognosis. Br J Cancer 1999; 79(1):13-17.

[2]   Ioannidis JP. Why most published research findings are false. PLoS Med 2005; 2(8):e124.

[3]   Isaacs D, Fitzgerald D. Seven alternatives to evidence based medicine. BMJ 1999; 319(7225):1618.

 

 

 

Piet Post, oktober 2011
Post Voor Zorg